Romeinse munten worden door verkopers vaak aangeprezen met ‘Zeer zeldzaam!’, ‘SELTEN!!’ of ‘RRR!!!’ en een heleboel meer. Maar wie bepaalt dat? Werkt dat bij Romeinse munten anders dan bij euro’s of Koninkrijk Nederland verzamelen? Hoeveel moet je betalen voor een zeldzame antieke munt? Zijn er goede maatstaven om de zeldzaamheid van een munt te bepalen? En zijn zeldzame munten ook altijd duurder?

Een heel courante denarius van Tiberius. En een unieke follis (alleen dit exemplaar bekend!) van Constantijn de Grote uit Arles. Toch zal de Tiberius vele malen duurder zijn, en niet alleen maar omdat het een zilverstuk is. In dit artikel zal duidelijk worden waarom!
R5 maar wie bepaalt dat?
Bij de claim dat een munt zeldzaam is, staat vaak een citaat uit Roman Imperial Coinage (RIC), het standaardwerk voor Romeinse keizerlijke munten. Daarin staat bij elk catalogusnummer een aanduiding van zeldzaamheid:
C (common)
S (scarce)
R1 (zeldzaam) tot R5 (bijna uniek)
Een hoge R-graad in RIC geeft menig verkoper de hoop een veelvoud te vangen van de prijs die je bij een ‘gewone munt’ zou verwachten. Maar vaak gebeurt dat niet, om de simpele reden dat de prijs van antieke munten niet alleen bepaald wordt door zeldzaamheid (waarover later meer). En er zijn wel meer kanttekeningen te plaatsen bij de inschatting van zeldzaamheid in RIC.
Allereerst: RIC is geschreven in een tijdspanne van enkele decennia. Sommige delen zijn gedateerd en hebben daarom soms ook heel misleidende inschattingen van zeldzaamheid. Inmiddels zijn enkele RIC-delen al een revisie verder, zoals bijvoorbeeld deel II, Vespasianus tot Domitianus en recent de nieuwe delen voor Hadrianus en Postumus. In de revisies zijn tientallen types opgenomen die daarvoor nog onbekend waren.
Ten tweede: de methode. RIC hanteert als maatstaf voor de R-graad het aantal munten dat gevonden is in de verschillende onderzochte museumcollecties (zie figuur 1).

Figuur 1: ‘Degrees of Rarity’ in RIC VII, p. xxi. RIC heeft het over de ‘coins known’ in de onderzochte museumcollecties.
Het werkelijke aantal munten – met inbegrip van particuliere verzamelingen en in niet-onderzochte musea – is dus in de regel veel hoger
Dat geeft een aantal moeilijkheden. Oude museumcollecties zijn geen goede dwarsdoorsnede van de Romeinse numismatische geschiedenis. Musea wilden in de regel, net als particuliere verzamelaars, een mooie collectie opbouwen. De aankoop van doubletten werd liever voorkomen en interessante, aantrekkelijke stukken zijn vaak oververtegenwoordigd. Het 733e follisje van Constantijn de Grote werd met andere woorden niet aangeworven, in tegenstelling tot munten die missen in de collectie.
Een andere methode die RIC gebruikt (bijvoorbeeld in deel V), is het ‘vertalen’ van de prijsschattingen (in franken) in de beroemde catalogus van Cohen naar de C tot R5-schaal. Het spreekt vanzelf dat deze bron – veilingopbrengsten in de 19e eeuw – ook zeer te wensen overlaat.
100 ‘zeer zeldzaam’ = 1 ‘courant’
Het mag al duidelijk zijn dat lofuitingen over zeldzaamheid altijd met een korreltje zout genomen moeten worden. Het is sowieso goed om te bedenken waarom een munt zeldzaam is. RIC geeft namelijk vaak voor elke kleine variant een aparte zeldzaamheidsaanduiding. Ook minieme varianten in emissie-tekens en afsnedemarkeringen. Dat betekent dat dezelfde munt qua voor- en keerzijde soms tientallen varianten heeft, die allemaal ‘zeer zeldzaam’ zijn. Maar samen maken ze uiteindelijk één courant type (zie figuur 2):

Figuur 2: Overzicht in RIC VII van het type Virtus Exercit voor Constantijn en Licinius en hun caesares.
Het vinden van een specifieke variant is moeilijk, het vinden van het type is heel gemakkelijk.
Hier komt de vraag ‘Wie kan dat wat schelen?’ om de hoek kijken. Een munt van officina A die als ‘R5’ in RIC staat is leuk om te hebben, maar een R1 of ‘Common’ van officina B ziet er in wezen precies hetzelfde uit – behalve die B dan. Een gemiddelde verzamelaar zal dus niet vaak dieper in de buidel tasten voor die ‘bijna unieke’ officina A.
Echt zeldzame munten
Bij elke munt die aangeprezen wordt met ‘zeldzaam’ of iets dergelijks, is het dus verstandig te kijken wat er nu precies zeldzaam aan is. Is dat een miniem variantje op een courant type, waarin alleen de specialistische verzamelaar geïnteresseerd is, of is er meer aan de hand? Is het hele type zeldzaam? Is het een keerzijdevoorstelling die maar in één muntplaats gemunt werd, staat de keizer op de voorzijde afgebeeld met een heel speciale buste, of is het een heel zeldzame keizer, van wie relatief weinig munten over zijn? En bij al deze overwegingen geldt: hoe afwijkender, hoe beter.
Betrouwbaardere manieren voor zeldzaamheidsbepaling
De zeldzaamheidsaanduidingen in RIC zijn handig, maar geven om tal van redenen een vertekend beeld. Voor wie echt de diepte in wil gaan, zijn er ook nog muntvondstpublicaties. Een schatvondst is een mooiere dwarsdoorsnede van de munten die op een bepaald ogenblik in omloop waren dan een la in een museumdepot. Vergelijking van de munten onderling geeft daarom een beter beeld van relatieve zeldzaamheid.
Figuur 3. Denarius van Julia Maesa. Pudicitia op de keerzijde.
Hieronder zal ik dat demonstreren voor de zilveren denarii van Julia Maesa in de Réka Devnia-muntschat. Deze schatvondst bestond uit bijna 70.000 denarii uit de 1e tot de 3e eeuw. Van Julia Maesa werden 1141 munten geteld, verdeeld over 13 verschillende typen. In de tabel staat eerst het type aangegeven, gevolgd door het aantal exemplaren in de muntschat, en dan de R-graad in RIC.
| Keerzijde | Aantal in Réka-Devnia | RIC-nummer & R | Werkelijke R |
|---|---|---|---|
| Fecvnditas | 3 | – | Zeer zeldzaam |
| Fecvnditas Avg | 50 | 249 Common | Courant |
| Felicitas Pvblica | – | 251 Scarce | Zeer zeldzaam |
| Fortvnae Redvci | – | 252 Common | Zeer zeldzaam |
| Ivno | 74 | 254 Common | Courant |
| Ivno | 6 | 256 Common | Zeldzaam |
| Ivno Conservatrix | 1 | 257 Scarce | Zeer zeldzaam |
| Ivno Conservatrix | – | 258 Rare (zonder pauw) | Zeer zeldzaam |
| Laetitia Pvbl | 5 | 261 Scarce | Zeer zeldzaam |
| Pietas avg | 110 | 263 Common (parfumdoosje) | Courant |
| Pietas avg | 8 | 264 Scarce (antoninianus) | Zeldzaam |
| Pietas avg | 17 | 265 Common (handen geheven) | Schaars |
| Pietas avg | – | 266 Common (zonder diadeem) | Zeer zeldzaam |
| Pudicitia | 547 | 268 Common | Zeer courant |
| Saeculi Felicitas | 316 | 271 Common | Zeer courant |
* RIC noemt bijna alle Julia Maesa denarii ‘Common’. Maar eigenlijk verdienen van de hier opgesomde types alleen Fecvnditas Avg, Ivno, Pietas Avg (de variant met parfumdoosje), Pvdicitia en Saecvli Felicitas die aanduiding. En dan nog verschilt de relatieve zeldzaamheid aanzienlijk: Fecvnditas Avg is 10x zo zeldzaam als Maesa’s meest voorkomende denarius, Pvdicitia Avg.
* Beide denariusvarianten van Pietas Avg zijn Common volgens RIC, maar uit de muntschat blijkt dat het type Pietas met ‘beide handen geheven’ (17 ex.) veel zeldzamer is dan die met het parfumdoosje in de hand (110 ex.)
* De munten die RIC als ‘Scarce’ catalogiseert, blijken in werkelijkheid zeer zeldzaam te zijn.
* De enige munt die RIC ‘Rare’ noemt, bevindt zich niet in de muntschat. Dat is dus een goede inschatting. Maar ook diverse munten die als ‘Scarce’ en ‘Common’ te boek staan, missen in de muntschat.
(Zie ook dit artikel over zeldzame antoniniani van Postumus in de Cunetio muntschat.)
R5, maar ook gelijk heel duur?
Prijs wordt bepaald door vraag en aanbod, niet door één van die twee. En dat is voor antieke munten niet anders. Dat betekent dus dat niet alles wat zeldzaam is, ook per se duur is. Als er geen vraag is, omdat een variantje heel onbeduidend is, dan zal de prijs niet veel verschillen (figuur 4). Varianten in het omschrift zijn dan weer interessanter (en duurder) dan varianten in afsnedemarkeringen (figuur 5a en b). En weer: hoe afwijkender het omschrift, hoe beter.
Bij Romeinse munten wordt de prijs het meest bepaald door conditie en eye-appeal. Daarnaast is zeldzaamheid natuurlijk ook belangrijk, maar dan vooral zeldzame keizers (figuur 6), zeldzame bustetypes (figuur 7) en zeldzame keerzijdetypes (figuur 8). Verder wordt de prijs ook bepaald door de esthetiek (het vakmanschap van de stempelsnijders), populariteit (wat is op het moment in de mode) en illustere provenances.

Figuur 4. Een heel courant keerzijdetype, een veelvoorkomende buste en een heel bekende keizer. Weinig verzamelaars liggen te dromen van deze R5 (RIC 131)

Figuur 5a: Folles van Diocletianus uit Trier hebben veel omschriftvarianten. Deze voorzijde, met PIVS AVG voluit gespeld, in plaats van P AVG of P F AVG, is überhaupt schaars op munten van deze periode, en zal dus een kleine premium opbrengen.

Figuur 5b: Deze munt van Aurelianus heeft een omschriftvariant van een heel andere orde. De voorzijde noemt de keizer (voor het eerst op een Romeinse munt) God en Heer (Deus et dominus). Dat is niet alleen zeer zeldzaam, maar ook historisch interessant. Daarom zal deze munt ook in middelmatige conditie, met heel veel krasjes zeker een flinke prijs verlangen.

Figuur 6: Voor Constantijn of Licinius kost deze keerzijde met Jupiter niet meer dan één of twee tientjes. Maar voor een zeldzame keizer als Martinianus is dat anders.

Figuur 7. Tacitus is een veelvoorkomende keizer, maar deze munt heeft een uiterst zeldzaam bustetype, met een bliksemschicht in de linkerhand. Het type is niet vermeld in de oorspronkelijke editie van RIC. De online RIC V kent 2 exemplaren. Een zeer zeldzame, en zeer dure munt dus.

Figuur 8. Een denarius van Elagabalus is niet zo moeilijk te vinden voor een schappelijke prijs. Maar een denarius waarop de baetyl van de zonnegod Elagabal in een quadriga te zien is, beschut door baldakijntjes, is een stuk duurder.