In 1978 werd bij de Romeinse nederzetting Cunetio, in Wiltshire, Engeland een enorme muntschat ontdekt. Met 54.951 munten is het de grootst bekende muntschat uit Romeins Brittannië. De munten waren verdeeld begraven in een grote aardewerken pot en een loden kist. De schat bestaat voornamelijk uit derde-eeuwse antoniniani, met grote aantallen munten van zowel het centrale Romeinse Rijk als het Gallische keizerrijk. Vooral de munten van Postumus, Victorinus en de Tetrici zijn goed vertegenwoordigd. De jongste exemplaren dateren uit de tijd van Tetricus I en II, en de uiteindelijke begraving vond waarschijnlijk rond het jaar 274 plaats.
De catalogus van de muntschat is een feest om te bekijken, niet alleen vanwege de uitstekende analyse van de vondstgegevens, maar ook vanwege de fotografie. De platen bevatten goede foto’s, niet van alle munten, maar wel van alle types.
De Cunetio schatvondst bevat een bijna onvoorstelbaar aantal munten van het Gallische rijk, en daarom biedt de catalogus een redelijk compleet overzicht van de muntslag in zilver in die tijd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de publicatie naast RIC en Schulzki een standaardreferentie is voor deze munten.
Een ander aspect van de catalogus is dat de aantallen exemplaren per type een uitstekende maatstaf bieden om relatieve zeldzaamheid in te schatten. Dat zal ik illustreren met het keerzijdetype ‘Pax staande met olijftak en scepter’. RIC geeft voor dit type 4 varianten (zie figuur).
1 Omschrift PAX AVG. RIC 318
2 Omschrift PAX AVG en P in linkerveld. RIC 318
3 Omschrift PAX AVGVSTI. RIC 79
4 Omschrift PAX AVG, met speciale buste van Postumus als Hercules, met knots en leeuwenhuid. RIC 319

In RIC staan alle Pax types als Common gepubliceerd, behalve de speciale buste, die R1 is. Dat helpt dus niet heel veel verder. Een ander naslagwerk over het Gallische rijk, geschreven door Schulzki, geeft een iets meer gespecificeerd overzicht. De speciale buste is bij hem ook R1, maar hij verdeelt de categorie Common onder in C1 tot C5, waarbij C1 het meest courant is. De twee ‘gewone’ PAX AVG types zijn bij Schulzki C3, maar het langere omschrift PAX AVGVSTI is bij hem Schaars.
En dan komen we weer terug bij Cunetio. In de tabel hieronder geef ik alle informatie tot zover, met als toevoeging het aantal exemplaren dat zich van elk type in de schat van Cunetio bevond (zie ook de figuur helemaal onderaan):
| Type | R in RIC | R in Schulzki | Aantal in Cunetio |
|---|---|---|---|
| PAX AVG | C | C3 | 296 |
| PAX AVG en P in linkerveld | C | C3 | 511 |
| PAX AVGVSTI | C | S | 4 |
| PAX AVG, speciale buste | R1 | R1 | 7 |
Allereerst is goed te zien dat de twee ‘gewone’ Pax types inderdaad heel courant zijn. Maar de verschillen in relatieve zeldzaamheid met de andere twee types zijn dramatisch. Het is heel opmerkelijk dat het type met het lange omschrift PAX AVGVSTI nog minder vertegenwoordigd is dan de variant met Postumus als Hercules op de voorzijde. Dit kan deels te maken hebben met het feit dat deze munt uit de vroegste emissie komt, maar voor een munt die RIC als ‘Common’ inschat en Schulzki als ‘Schaars’ is 4 exemplaren wel heel weinig.
Om het verhaal nog een beetje breder te trekken: de meest voorkomende keerzijde van Postumus in Cunetio is MONETA AVG, met 1671 exemplaren. Daarna PM TR P COS II PP, met Postumus staand, met bijna evenveel exemparen, en als derde HERC DEVSONIENSI, Hercules staand, met 1088 exemplaren. Er is nog een keerzijdevoorstelling met dat omschrift, met Hercules in een tempel. Daarvan zaten er maar 6 exemplaren in Cunetio.

Pagina 145 uit Besly, Edward en Bland, Roger (1983). The Cunetio Treasure: Roman Coinage of the Third Century AD, London: British Museum Publications. (NB: de auteurs geven nog een voorzijdeomschriftvariant met puntjes tussen P F AVG [nummer 2456], maar die heb ik voor het gemak buiten beschouwing gelaten.)